Het intentse leven van Meneer de Waard


Hoofdstuk 1: Spek en bonen

Er was eens een tent, die meneer de Waard heette. Hij hield erg van kamperen, maar hij was maar alleen. Daarom voelde hij zich zó leeg van binnen. “Kon iemand die leegte maar opvullen”, dacht meneer de Waard. Eenzaam stond hij op het veld.

Somber keek hij in de verte. Maar… wat hoorde hij daar? Het leek wel of iemand een liedje zong! Hij luisterde goed, en ja:
“Boontje liep langs een spoorwegbaan
Daar kwam juist een treintje aan
Maar boontje liep niet op de stoep!
Tuut tuut tuut: erwtensoep”

Het geluid kwam steeds dichterbij en na een tijdje kwam er een sperzieboon achter een boom vandaan gelopen. Met een rugzak op zijn rug.

“Goedemiddag!” zei meneer de Waard opgewekt, “Wat hebt u er de pas in. U zult wel moe zijn! Kom toch even lekker uitrusten.” De sperzieboon hield stil, maar hield pas op de plaats. “Goedemiddag, meneer…?” “Meneer de Waard”, zei meneer de Waard. “Ach, aangenaam. Mijn naam is Boon. Herman Boon.” “Aangenaam, meneer Boon” zei de tent hoopvol, “Maar wat zegt u ervan? De hele tent voor u alleen. Een dutje misschien?” “Meneer de Waard, het is waarlijk een heel aantrekkelijk aanbod wat u mij daar doet. Maar ziet u, ik ben niet van zins om ergens te gaan slapen. Ik ben namelijk aan het hiken en hoop voor het donker weer thuis te zijn. Zodoende zal ik nu ook mijn tocht moeten voortzetten. Goedemiddag!” Als een haasje zo snel ging de boon weer op weg. Voor meneer de Waard argumenten kon bedenken, was Herman Boon alweer aan de horizon verdwenen. Er bekroop hem weer een gevoel van leegte.